„Ik proef ’t al,” roept Puckie.
„Ik zoek frambozen nit,” zegt Piet. „Als je tenminste zien kan wat je te pakken hebt.”
„Ik gember,” zegt Paul verrukt.
Ze zijn nu in de nabijheid gekomen van het kelderraampje, aan de voorzijde van de societeit en tot aller verademing wijkt de lage soldering boven hun hoofden en staan ze wederom in een half-verlichte ruimte.
„Kijk jongens, daar staan ze,” roept Ambro triomfantelijk.
De jongens rennen er op af.
„Ver..da’s een leege,” bromt Piet.
„Die ik heb ook,” roept Puckie.
„Ze zijn allemaal leeg,” schreeuwt Karel.
En Ambro, die dit reeds lang wist, maar zonder dit aanlokkelijk vooruitzicht geen kans zag de bende mee te krijgen op dezen luguberen tocht door de catacomben, zegt met het onnoozelste gezicht van de wereld:
„Heb ik dan gezegd, dat ze vol waren?”
„Flauwe bak,” bromt Piet.
„Hebben we daarvoor zoo gezwoegd? Als je nog eens wat weet,” zegt Chris, zn handen van kolengruis reinigend.
„Nou, wees maar koest,” kalmeert Ambro. „Jullie krijgen ieder van mij een mooi glazen knikkertje,” en meteen ketst hij met kracht een kogelfleschje tegen den muur.
„Hier heb je er al een,” zegt hij, het glazen kogeltje aan Paul gevend.
152