Wij loopen met een cape daar ook naar toe, zoo hard we kunnen, hè! dan gooien we de cape bliksemsnel op een rat en gaan er op dansen. Een reuzen-bak, jongens! ik heb ’t al meer gedaan.” Nu deze ingewikkelde geschiedenis duidelijker vormen voor ze aanneemt, vinden de jongens het plan kapitaal en ze besluiten dan maar direct te beginnen.
„Als de oppasser ’t maar niet merkt,” waagt Paul het te zeggen.
„Och, Lutjebroek, als je bang bent, hoepel dan maar op. Trouwens, we doen er een goed en nuttig werk meê.”
„Ja,” merkt Paul schamper op. „Een maand den tuin uit als je een dooje rat op het kantoor brengt.” „Verdelgt de ratten en ge zult spinazie eten,” zegt Ambro zalvend. „Vooruit knullen, beginnen!” „Hier moeten we staan,” en Chris neemt het opper-commando op zich.
„En één ding, jongens, kop dicht! Wie kabaal maakt, krijgt een peut in z’n ribben.”
Onbewegelijk en dood-stil staan ze achter de deuren. Chris houdt een oog in ’t zeil.
„Er kaikt mit één oogie!” imiteert Ambro een clown waarvan hij pas genoten heeft, als hij Chris zoo naar één punt ziet staren.
Maar vijt stompen doen hem er aan herinneren, dat het wachtwoord „kop dicht” is.
„Nog één keer,” dreigt veldheer Chris. „En dan smeer je ’m maar, jij bederft altijd alles met je flauwe kul.”
146