Zeg, kerels, ik kom fijn weer in Rotterdam wonen, en dan zullen we de peentjes opscheppen.
In Haarlem is ’t niks gedaan, hoor! Een saaie bedoening!
Op school trof ik allemaal brave Hendrikken, die niks durven. En om alleen de beest uit te hangen ... daar had ik geen lol in.
Dan wij, hè! Weet jullie nog, die keet aan de haven, toen Ambro aan de kraan hing.
Toen ik ’t die brave Haarlemmer halletjes vertelde, wilden ze 7t niet eens gelooven.
Een was wel eens in Rotterdam geweest en had, bij z’n terugkeer, z’n voeten geveegd, vóór hij in Haarlem aankwam.
Nou, ik heb wat vaak naar de Rotterdamsche modder verlangd! Nog twee weekie’s, dan ben ik er weer!
Leeft Alebes nog? Maken jullie het allemaal goed? En hoe staat ’t met het Hol van Kaan? Met September ga ik naar de H. B. S. Jullie ook zeker ? Ik hoop maar, dat we allemaal op dezelfde komen. Een reuzen-keet, zeg!
Komen jullie me allemaal van den trein halen, dan schrijf ik nog hoe laat ik kom.
Adi, ik smeer ’m. Tot kijks,
Wim.
„Nee, hoor, hij is nog niks veranderd,” zegt Chris blij.
„Ik had ’m ook geen gezicht meer aangekeken,” zegt Puckie.
143