ziet, wordt ’t hem toch te machtig en terwijl hij lang in z’n broekzak zoekt, diept hij er eindelijk zijn kostbaarsten schat uit op, een grooten glazen knikker met prachtige gekleurde strepen erin, dien hij haar voorhoudt met de woorden:
„Hou nou op met janken, Go. Kijk eens, wat ik daar voor je heb?”
Maar het geschenk werd niet aanvaard.
Ze schudde koppig met haar hoofdje en duwde de hand met den knikker weg.
„Nou, graag of niet,” zei Ambro wiens medelijdende stemming van korten duur was. „Met jullie meisjes is niks te beginnen.”
„Ik maak 't uit,” zegt Margootje.
„Dat heb ik allang gedaan,” spot Ambro. „Naarling!”
„Mal schaap!!”
De tranen zijn verdwenen en ze is weer het kleine katje van straks.
Ambro haalt intusschen zijn vlieger in, die met duikenden zwaai naar omlaag komt. Hij ontdoet hem van den staart en maakt het touw los.
„Nou, ik smeer ’m,” zegt hij. „Go, laten we nou niet als kwaje vrienden van mekaar gaan. We vervelen ons samen toch maar. Geef me de vijf.” „Nee, hoor, nee!” en het kleine juffertje stampvoet van nijd.
„Dan niet!” En Ambro loopt fluitend weg, Gootje aan haar lot overlatend.
Hij loopt in de richting van den Overweg en als hij heel ver is, staat ook Margootje op en
124