188
plaats gekomen, maar dit andere had geen afbreuk gedaan aan het prettige, ongedwongene dat er was tusschen haar ouders en haar.
„Nin en Jen,” dacht ze, „allebei hebben ze een tekort in hun leven gehad. Maar Nin heeft Alfred en Hansje en o, ik hoop zoo, dat voor Jen ook eenmaal het tekort geheel aangevuld wordt.”
„Gaan we de volgende week dan samen naar het Haagje?” vroeg Jenny, Mieke wakker schuddend uit haar overpeinzingen. „Hij moet Mieke van de Klaproos toch zien! jij zult erg in z’n smaak vallen, daar ben ik zeker van. Gek, Mieke, ik had toen ik je pas leerde kennen weinig met je op. Je leek me zoo’n erge brave Hendrika, die overal de lieve en goede speelde.”
„En nu?”
„Fishing?”
„Neen, maar als je ’t eene zegt . . .”
„Nou, vooruit dan! ik vind je een lieverd! een frissche, zonnige lieverd. Is ’t nu goed? Help me maar een handje, om me hier thuis te gaan voelen zonder . . . verdoovings-middelen.”
„Als ik kan, graag! maar ik heb niet veel tijd, dat weet je. En buitendien, ik ben er zelf nog lang niet, hoe kan ik jou dan helpen?”
„Nou, laat me dan maar af en toe op je gezellige kamer zitten en praat wat met me. En zeg, ik heb een opdracht voor je moeder. Vader is volgende maand jarig en we willen hem graag zoo’n schoorsteenkleed geven als ik laatst in het atelier zag.”
„Fijn, zeg! moeder zit net krap in de opdrachten en we kunnen de spietjes best gebruiken, ’t Is toch ook een akelige tijd! Niemand heeft geld, en die ’t heeft, houdt het stevig vast en bestelt heusch geen luxe-voorwerpen. Jen, je bent een schat!”