187
En Herman was thuis, en we hebben genoegelijk na zitten boomen. Weet je, Mieke, we hebben afgesproken, dat ik zoo af en toe een slippertje naar vader maak. Ik heb dat noodig en Her begrijpt ’t. En ik ben er niet bang meer voor, na gisteren.
Vader vindt ’t eenig, dat snap je. Die ziel zit daar maar met een dood-goeie, maar stomvervelende huishoudster en begint na het houwelijck van z’n eenige spruit, een beetje in te dutten.”
„Is je moeder al lang dood?”
,,’n Jaar of tien. Voor vader een onoverkomelijke slag. Moeder was zoo opgewekt en wilskrachtig en ze wist vader, die een beetje eenzelvig is, zoo heerlijk op te halen. Naderhand heb ik dat trachten te doen, maar dat lukte niet, want vader kon moeilijk mee naar al mijn pretjes.”
„Waarom komt hij niet veel meer bij jou?”
„Eerstens omdat de goede man zich in het hoofd heeft gehaald dat „je je getrouwde kinderen niet moet over-loopen!” en dan, omdat hij, zooals ik je al zei, zoo eenzelvig en hokvast is en zich niet graag verplaatst. Ik geloof, dat hij zich het prettigst in zijn studeerkamer voelt, tusschen z’n boeken. Maar als ik bij hem ben, dan is hij zielsgelukkig en put hij zich uit in allerlei verwennerijtjes. Goeie vader!”
Ze bleef in gepeins verzonken zitten en Mieke dacht, dat Jenny’s leven misschien anders zou geweest zijn, als ze haar moeder niet had moeten missen op een leeftijd waarop je je moeder juist zoo noodig hebt.
Jenny was nu twee en twintig en dus twaalf toen haar moeder stierf. Toen zij, Mieke, zoo oud was, wat had ze toen ongeloofelijk veel aan moeder gehad. Van haar twaalfde tot haar zestiende was moeder immers de vertrouwde, was er niets, dat moeder niet wist.
Eigenlijk pas de laatste jaren was er iets anders voor in de