186
„Hè, gelukkig!” ontsnapte haar en ze boog zich uit het raam.
„Ik ben op m’n kamer!” riep ze naar Jenny, die er opgewekt uit zag.
„Dag Klaproos!” Jenny stapte de kamer binnen, gooide een blikje Haagsche hopjes op Mieke’s werktafel.
„Ik hoef niet te vragen of je het gezellig hebt gehad,” lachte Mieke. „Je ziet er zoo opgewekt uit.”
,,’t Was dol!” zei Jenny, die zich in een van de lage stoeltjes liet neervallen.
„Heb je gedanst, pretrok?”
„Niet lang, want het was aan zee gewoon zalig. Mieke, we tijgen er eens heen, gaan we vroeg en komen laat terug. Ik heb vader gezegd, dat ik je meebreng.”
„Eenig,” vond Mieke. „Ik ben dol op de zee. Heb je nog gebadderd?”
„En óf! het water was net lekker en ik heb genoten van m’n zeebad.”
„Kwam je laat thuis?”
„Negen uur. Miel had stierlijk ’t land, want die hoopte nog op avond-geneugten.”
„Had je geen zin?”
„Natuurlijk had ik zin! dollen zin, maar gek hè? ik dacht toch steeds aan jullie allemaal. Aan jou met je ernstige snuit, aan dat malle peperkoekenhuisje van zuster, aan Herman — die misschien niet eens thuis zou zijn — aan vrouw van Bijl, die bestraffende aartsengel! Niks voor mij, hè? Miel zei maar, dat ik mezelf geweld aandeed, maar ik had het gevoel of ik op weg was een pietsie mezelf te worden! Natuurlijk heb ik me geweld aan moeten doen, want Scheveningen ’s avonds is allemachtig gezellig. Toen heb ik Miel aangekeft en gezegd, dat ik alleen wegreed als hij niet mee ging.”
„En wat deed hij?” vroeg Mieke vermaakt.
„Meegaan natuurlijk. Kon ie wel niet minder als onze gast.