Mieke werd wakker van het zingen der vogels in den tuin. De zon zond haar stralen regelrecht de kamer in en Mieke, knipperend in het al sterke zonlicht, wreef haar oogen uit.
„Er is vandaag iets prettigs, maar wat ook weer?” dacht ze, terwijl ze rechtop in haar bed ging zitten en den geliefden tuin inkeek.
„O, ja, Jaap komt vanavond! Het zal prettig zijn. Ik voel ’t.”
Ze was met de gedachte hieraan ingeslapen.
Maar er was nog iets, dat haar bezig had gehouden en waardoor ze den slaap niet had kunnen vatten.
„O, ja,” dacht ze, „Jenny! zou ze terug gekomen zijn?” Ze schrok van haar eigen gedachten.
„Natuurlijk is ze terug gekomen. Stel je voor!”
Maar er was iets in Jenny’s oogen geweest dat Mieke onrust had gegeven.
„Jakkes, hoe kom ik zoo mal! Natuurlijk door al het gewauwel van de dorpslui. Zeker tien verschillende menschen hadden gevraagd:
„Hê-je gezien? de doktersvrouw is weer in d’r auto op ’t pad en mèt d’r neef uit Indië!”
„O, Jen, was je toch maar niet gegaan,” dacht Mieke en de onrust om Jenny verliet haar niet.
En heel dien morgen, onder de gewone huiselijke bezigheden, moest ze beurtelings denken aan Jaap en Jenny.
„Ik loop na de koffie even naar het doktershuis,” nam ze zich voor. „Die onzekerheid is vervelend.”
Maar juist toen ze zich verkleed had en nog voor het gereed maken van de koffietafel een half uurtje zangoefeningen wilde gaan maken, hoorde ze uit den tuin Jenny roepen.