182
„Het schijnt je ernst met je plan, Hoe kom je er eigenlijk
op?”
„Nachtelijke overpeinzingen.”
„Zal waar zijn! jij slaapt als een marmot, heb je zelf verteld.”
„De laatste maanden waren er heusch wel eens nachten, dat ik de drie eentjes hoorde.”
„De drie eentjes?”
„Nou ja, half één, één uur, half twee! In mijn leven een uitzondering als ik die hoor! In die slapelooze eentjes heb ik het plan uitgebroed. Of eigenlijk ben ik met mezelf tot klaarheid gekomen, dat het beroep van concertzangeres me toch niet aanlokt. In ons eigen kringetje heb ik praats voor tien en wil ik zingen al was de Keizer van Japan er bij, maar temidden van vreemden ben ik een hazehart! En wat moet ik worden als ik dat niet doe? Dan zit ik met m’n diploma in m’n zak en heb er niets aan. De tijden zullen nu wel niet eeuwig zoo slecht blijven, maar ik zou toch wel graag mee willen helpen om ons huishoudentje in stand te houden, al is ’t dan ook pas over eenige jaren.”
„Tja, ik ben er wel bang voor geweest. Heb je geen spijt. Mieke, dat je ermee begonnen bent?”
„Spijt? O, Nin! hoe kun je het denken! ik heb toch altijd gevoeld, dat er veel ontbrak aan m’n stem.”
„Maar als je er nu toch niets voor voelt om concertzangeres te worden?”
„Dan blijft er nog zooveel over, waarvoor het waard is goed te zingen, dat ik je nooit dankbaar genoeg kan zijn voor je lessen. Ik kan me er nu al op verheugen om met Kerstmis te zingen in ons lieve oude Kerkje, heerlijk verscholen achter het orgel. Dat had ik toch nooit gedurfd, toen m’n stem nog zoo ongeschoold was. Denk je, dat ’t zou kunnen, Nin, met Kerst?”
„Natuurlijk! en dan zou Al je kunnen begeleiden op het