181
„Fijn!” zei Mieke. „Het zaakje loopt best. Als mevrouw soms een assistente kan gebruiken, beveel ik me in de gunst en de „rikkemedaasje” aan.”
„Jij wordt dan zoo langzamerhand een Manusje van alles in den huize Rety,” lachte Nini.
„Een passe-partout! Zeg, Nini, m’n werk vlot zoo fijn. Ik voel nu zelf hoe ik opschiet.”
„Omdat je weer pleizier in je werk hebt.”
„En öf! Zeg, als ik over ’n jaar of wat klaar ben, weet je wat we dan moesten doen?”
„Tournée’s door den lande maken?”
„Neen, daar voel ik toch niets voor. Ik zou finaal bezwijken als ik al die oogen naar het podium zag blikken. Ik weet iets veel beters. We moesten — jij en ik — een muziekschool oprichten, met Alfred als Directeur. Er is er geen in den omtrek en het zou heusch zoo’n gek idee nog niet zijn.” „Neen,” peinsde Nini, „dat zou het zeker niet.”
„Dan kan Alfred rustig componeeren en ons van advies dienen. Hij kan leeraren aanstellen voor de strijk-instrumen-ten en jij en ik nemen de zanglessen voor onze rekening.” „Hoe komen we aan geld om zooiets te beginnen?” vroeg Nini.
„Is daar dan zooveel geld voor noodig?”
„Moeten we dan geen groot huis hebben met flinke lokalen? En de leeraren voor piano, viool en violoncel? Moeten die niet gesalarieerd worden?”
„Jakkes, dat nare geld ook! Even goed — zou Maar’ zeggen — is het nog zoo’n gek plan niet. Ik ga broeien op een geldschieter! Zou nicht Cornelia geen beschermvrouwe willen worden en ons de pegulanten willen voorschieten om de zaak op pooten te zetten?”
„Dank je wel! met geleend geld begin ik niet en zeker niet met geld van m’n familie.”
„Dan moet ik een andere bron zien aan te boren.”