179
Nu ik weer in Berlijn zit en terug denk aan mijn va-cansje in het rustige dorp, nu voel ik me verplicht, jou, lieve papaver, een afscheidsgroet toe te wuiven.
Ik heb me werkelijk verbeeld, dat jij het meisje was, dat mijn dartel hart aan banden kon leggen en als jij me niet zoo boud de bons had gegeven dan waren we nu aaneen gesmeed en zou ik op middelen hebben gezonnen om weer op een fursoendelike manier van elkaar af te komen.
Want — lieve slaapbol — reeds in den trein was het weer mis! Daar zat, vlak over me, jouw contrast. Koolzwart haar en oog en als de nacht! Natuurlijk ging ze óók naar Berlijn en even natuurlijk hadden we gemeenschappelijke kennissen.
Ze is een Oostenrijksche en heet Sari. Ze speelt fameus klavier, danst, rookt, flirt en . . . Ihr ist mein gan-zes Herz!
Voor hoe lang?! vraagt ze niet naar. Ik ook niet.
Ik wil maar zeggen . . . broer Hans is een rare! Hij wil wel anders, maar ’t duurt zoo kort.
Klaproos, ik heb jou een allemachtig aardige meid gevonden, eigenlijk het aardigste type, dat ik in het gehucht ontmoette.
Schrijf me eens hoe al de vroede lieden het maken, die ik ontmoet heb. Is mevrouwtje Jenny nog braaf, of is ze alweer op hol geslagen?
Informeer niet naar Sari in je brief — je schrijft me natuurlijk terug — want waarschijnlijk zit zij dan weer in Wien en heb ik een geliefde uit Honululu!
Zeg, ik speel solo op het abonnementsconcert. Is ie effetjes? Alfred zal het fijn vinden.
Ik stuur je eerstdaags een postwisseltje, wil je daarvoor een zilveren paplepel voor mijn petekind koopen? Het wicht kwam zóó onverwacht, dat ik geen tijd had
12*