178
gelaat van haar jongen gekeken. Maar ze had niets gevraagd, ook niet, waarom hij de avonden, die hij vrij was, doorbracht op z’n kamer.
„Laten betijen,” had ze tegen haar vriendin betoogd. „Als ze voor mekaar bestemd zijn, krijgen ze elkaar toch.”
Wat niet wegnam, dat ze steeds informeerde of „die Hans” nu nog niet weg was.
En een ware opluchting was ’t voor haar geweest, toen ze hoorde, dat hij inderdaad vertrokken was.
Zoodra hadden de moeders het heugelijk feit niet vernomen, dat Jaap weer bij Mieke zou komen, of de hoop schoot wortel in hun hart en er werden weer vertrouwelijke gesprekjes gevoerd.
„Is het ook niet te begrijpen,” dacht mevrouw Klarenbeek, terwijl ze even tersluiks blikte naar het blonde hoofd, dat gebogen was over den brief, „dat je voor je kind een man zou wenschen als Jaap en niet een, die vandaag van de een en morgen van de ander houdt?”
Het briefpapier ritselde en er klonk een klare lach.
„Die Hans! zoo’n type heb ik nog nooit ontmoet. Moeder, u moet dien brief even lezen, ’t Is zoo’n eerlijke bekentenis en het typeert Hans zoo heelemaal.”
Een vreugdeschokje door moeder’s hart.
„Zou Hans ’t niet onprettig vinden?” weifelde ze nog even.
„Welneen, leest u maar gerust,” en ze schoof den brief haar moeder toe.
Het handwerk werd haastig neergelegd en mevrouw las:
Lieve Klaproos,
Niet om ’t een of ander, maar 't tvès een raar vertrek!
Broer Hans had — wat Maar’ zoo kernachtig kan uitdrukken — de pé in!