175
tig te lezen, maar keek toch telkens tersluiks naar Hansje.
„Ze ziet bleek,” dacht ze en allerlei verhalen die ze wel eens bij de dorpelingen gehoord had over stuipjes en dergelijke narigheden kwamen haar in de gedachte. Juist was ze van plan toch maar met Hansje naar huis te gaan, toen ze in de verte iemand aan zag komen, waarin ze tot haar groote vreugde haar moeder herkende.
„Da’s waar ook, had ik in m’n angst niet eens aan gedacht, dat moeder zou komen,” ademde ze bevrijd op.
Mevrouw Klarenbeek, gewapend met handwerktasch en klapstoeltje, kwam langzaam aangewandeld.
„Je zit hier heerlijk!” riep ze naar Mieke.
„Moeder kom eens gauw! Hansje doet zoo raar!” klonk het haar wat angstig tegemoet.
Mevrouw Klarenbeek versnelde haar passen.
„Wat is er dan?” vroeg ze, wat verschrikt in den wagen kijkend.
„Hansje trekt zoo vreemd met d’r oogjes en ze werd straks met een harden schreeuw wakker. En vindt u niet, dat ze erg bleek ziet?”
Mevrouw Klarenbeek, opgelucht, begon hartelijk te lachen en den wagen keerend, zoodat de schaduw van de boomen niet meer op Hansje’s gezicht viel, vroeg ze:
„Ziet ze nu nog bleek?”
Mieke moest lachen om haar eigen angst. Hansje’s wangetjes waren net zoo rose als anders.
„Maar dat rare trekken met d’r oogjes, kijk moeder! nu doet ze ’t weer!”
„Niets te beteeken. In den volksmond noemen ze het groei-stuipjes, maar ’t heeft met groeien en stuipjes niets te maken. Heb je erg in angst gezeten, kind?”
„Ik was net van plan met haar naar huis te gaan.”
„Goed, dat je het niet gedaan hebt.”
„Moeder, wat lijkt het me angstig toe om kinderen te