170
„Kom, Jen,” maande Miel en hij nam haar bij den arm.
„Toe!” Jenny schoof zijn arm weg en keek even schichtig naar vrouw van Bijl.
„Ik heb eigenlijk heelemaal geen zin in Scheveningen,” zei ze dan, toen ze weer stevig doorstapten.
„Wat is dat nu weer? je bent gezellig, hoor! Is dat nou omdat die boerenstoerel zoo bestraffend naar je keek? Goeie hemel, Jen, wat is er hier van je geworden? ben je soms bang voor kletspraatjes?”
„Ik? hoe kom je erbij?”
„Nou, dan geen gezeur meer, we gaan! Over een week zit ik weer op zee en dan zie je me in geen vijf jaar meer terug.”
„Vooruit dan maar, dwingeland,” lachte Jenny en ze dacht, dat het toch ook werkelijk tè dwaas was om zich aan de praatjes van het dorp te storen. Mocht ze niet met haar neef een dagje uit? Belachelijk!”
Ze liepen even bij Nini aan.
„Natuurlijk ga je!” zei die.
„Alleen.... Zit je er mee in?”
„Welneen, Mieke zal wel een paar uurtjes kunnen. Ik krijg vanmiddag toevallig een paar moeders die hun kinderen in mijn koorklasje laten inschrijven en dan vind ik ’t wel prettig als ik weet dat Hansje heerlijk in het bosch rijdt.”
„O, maar dan denk ik er niet aan om te gaan.”
„Jen, doe niet zoo overdreven, als mevrouw toch iemand anders kan vinden....” zei wat knorrig Miel.
„Mieke kan vast en zeker en jij gaat, hoor! Amuseer je maar fijn!” Nini drong haar de deur uit.
„Nou, dan loop ik nog even bij Mieke aan,” beloofde Jenny. „Maar als ze niet kan ....”
De rest ging verloren want Miel, ongeduldig geworden, trok haar mee.