169
niet meenen. Het stdat je niet, al dat opofferend gedoe. Wees jezelf! kom ga mee, we zullen een kostelijk dagje hebben. Ik snak naar een beetje zeewind.”
Jenny vocht met zichzelf. Ze had Nini beloofd met Hansje naar het bosch te gaan. Maar was ze ook niet dwaas? Ze had deze week al driemaal een heelen middag aan Hansje geofferd. Niet, dat ze het een opoffering had gevonden, want Hansje was een dot. Maar vandaag, nu Miel met haar naar Scheveningen wilde______
„Nou? gaan we?” drong hij aan.
„Moet ik ’t even bij Nini gaan zeggen. Misschien kan Mieke....”
„Vooruit dan! een stapje erop leggen, ja?”
Ze stapten naast elkaar voort, nu in vroolijker kout.
Toen ze langs het huis van de van Bijl’s kwamen zei Jenny haastig:
„Stop! ik moet hier even zijn,” en uit haar tasch nam ze de rest van een plak chocolade, die ze van Miel gekregen had.
„Dientje! Dientje!” riep ze in de voordeur.
Vrouw van Bijl kwam naar voren.
„Mevrouw!” klonk het blij verrast maar dan, in een snel opnemen van Miel, werden haar trekken stroef, zei ze wat kort:
„Dientje is bij vader in den tuin.”
Jenny gaf haar het snoeperijtje voor Dientje, zei, dat ze haar gauw weer eens kwam halen om mee naar 't bosch te gaan.
„Maakt je mannetje het goed, mevrouw?” vroeg vrouw van Bijl.
„Puik, hoor!” zei Jenny luchtig.
„’t Is een beste!” het pauselijk hoofd van vrouw van Bijl knikte Jenny toe en ’t was of er een waarschuwing in school.