Jenny kwam met Miel Brouwers een neef van haar, die met verlof uit Indië was, van het tennisveld.
Miel, in z’n witte pak, waar de bruingebrande kop zoo goed tegen afstak, zag er kranig uit.
„Je speelt ’n goeie partij,” prees hij.
„Och, zoo, ik heb er den laatsten tijd niet veel aan gedaan.” Het klonk wat lusteloos.
Hij keek haar van terzijde aan. Haar lusteloosheid had hem getroffen van het oogenblik af waarop hij in het doktershuis logeerde.
„Jij moet er eens ’n beetje uit, zeg!” zei hij dan. „Is me dat hier ook een gehucht! Kunnen Herman en jij me niet naar Genua brengen? Zou goed voor jullie allebei zijn.”
„Ja.”
„Nou dan?”
„Her heeft geen tijd.”
„Nonsens! hij moet toch vacantie hebben.”
„Komt wel. We zijn hier nog maar zoo kort.”
„Wat ben je mak. Zoo ken ik je niet.”
„Zeur niet.”
„Willen we vanmiddag iets gezelligs op touw zetten?”
Jenny weifelde even.
„Willen we naar Scheveningen?” drong hij aan.
Het was een heerlijke zonnige dag en Jenny zag de zee, rook het zilte water.
„Kan niet,” zei ze dan kort.
„Moet je weer kuieren met die zuigeling?” spotte hij, en dan ernstig: „Jen, doe jezelf geen geweld aan. Dit kun je