160
„Zouden er koopers zijn?” dacht ze blij, maar dan direct: „Och, welneen, wie koopt er nu schilderijen!”
Ze liep de huiskamer in, doch vond er haar moeder niet.
„Moeder is zeker ook in het atelier.”
Ze toog naar haar kamer, wilde gaan werken. Daar viel haar oog op een bos roode meidoorns, die in een aarden pul stonden.
„O, hoe prachtig!” riep ze verrukt uit.
Bij de pul stond een wit couvert met haar adres.
„Van Jaap,” zei ze en haar hart bonsde. „Eindelijk!”
Er waren vier volle weken voorbij gegaan na den avond waarop Jaap zoo haastig was vertrokken en er was geen dag geweest waarop Mieke niet gehoopt had iets van hem te zullen hooren.
Ze had hem gemist, heel erg gemist, en als ze na haar dagtaak bij Nini in het ouderlijk huis terug kwam om, als gewoonlijk, naar haar kamer te gaan, dan had ’t haar iedere keer weer een steek gegeven, dat ze er Jaap niet vond.
Ze was gewend geweest met al haar lief en leed bij Jaap te komen en altijd had hij haar aangehoord en waren al haar belangen de zijne geweest. Ze had de bloemen gemist, die hij haar altijd bracht, de lange gesprekken over boeken en hun eigen werk.
„De sfeer is weg uit mijn gezellig hok, nu Jaap er niet meer is.”
Betrekkelijk weinig had ze meer in die weken aan Hans gedacht, nu ze het lachende gezicht niet meer zag.
„Wat is de herinnering aan Hans? Pret, nonsens!”
Maar direct had ze zichzelf verweten, dat ze zijn spel toch niet mocht vergeten, dat waar en mooi was.
„Toch is het niet genoeg,” dacht ze voor de zooveelste maal.
En nu stonden daar als van ouds bloemen op haar tafeltje