159
„Dacht ik ’t niet! maar ’t is zóó beter, hoor! en jij kunt nu weer flink aan de zang-studie gaan. Kind, je hebt zoo’n mooie stem. Wees dankbaar voor dat geschenk van de natuur.”
„Ben ik ook. Maar ik zie er zoo tegen op om de studie voort te zetten. Die weken bij Nin hebben het nog verergerd.”
„Laat nooit iets in den steek, wat je met zooveel animo begonnen bent,” ried zuster.
„De lust zal wel weer komen, vooral nu Nin zelf weer aan het werk gaat. We hebben grootsche plannen om mekaar voort te stuwen. In ieder geval ben ik weer hard aan het werk voor Al en ’t is zoo gek, maar dat taaie werk gaat me beter af, dan m’n zang-studie. ’t Is net of m’n stem anders is geworden, of ik aanhoudend valsch zing en er iets dofs in is. Ik snap niet, hoe dat opeens zoo komt.”
„Ik wel,” zei zuster. „Als er van binnen oproer is, dan lijkt het of de stem niet zoo wil als anders. Komt allemaal wel weer goed, kind.”
Mieke was op het punt zuster te vertellen van al wat daar binnen bij haar streed, maar ze drong de behoefte aan vertrouwelijkheid terug, ’t Was immers veel sterker den strijd dien je had alleen uit te vechten.
„Zuster,” ze stond wat haastig op, „ik ga huis toe. Gaat u maar lekker uw tuin wieden, daar heb ik u veel te lang van opgehouden.”
„Goed zoo! als we allemaal ons tuintje geregeld wieden, dan kan het onkruid er geen kwaad doen. Dag Mieke! kom nog eens aanwippen, ik ben deze heele week thuis.”
Toen Mieke thuis kwam zag ze vóór het huis een mooie auto staan.
„Deftig bezoek,” dacht ze. „Wie zou het zijn?” en ze monsterde de groote luxe-wagen.
Langs haar Vader’s atelier loopend hoorde ze stemmen.