158
„Toeval?” Zuster’s oogen staarden het bosch in, naar een zonneplek op het mos. „Een wijze beschikking, Mieke.”
Toen zwegen ze beiden en er was niets dan de genoege-lijke tok-geluidjes van de kippen, die vrij in het bosch rondliepen en er de warme plekjes opzochten en het tikken van de Friesche hangklok.
„Ik heb het zóó vaak in m’n leven gezien,” verbrak zuster eindelijk de stilte, „dat er uitkomst kwam voor de dingen, die zoo hopeloos leken. En we zijn zoo gauw geneigd het te wijten aan een toeval. Nu ook weer met onze beide mevrouwtjes, voor elk waarvan een uitkomst gevonden moest worden. Je zoudt haast zeggen, het lag pasklaar voor mevrouw Jenny, nu ze het zoo hoog noodig heeft, dat haar leven gevuld wordt. Geen toeval, Mieke, maar wijze bestiering. Zeg, kind, mevrouw Rety zal het toch niet onbescheiden hebben gevonden, dat ik vertelde van hun finantieelen toestand?”
„Welneen, zuster. Net wat voor Nin! daar maakt ze heusch geen geheim van. Ze zal heel blij zijn, dat Jenny het wil doen en niet alleen, omdat zij ermee geholpen is.
Dokter Mertens heeft er bij Al en Nini vaak over gesproken, hoe hij er tegen opzag, dat Dientje weg zou gaan. Hij was immers zoo bang, dat Jenny weer terug zou vallen in het oude pret-leventje. Buitendien, Nin heeft u zelf verzocht er iets op te vinden, dat ze geregeld zou kunnen stu-deeren.”
„Had je niet graag zelf wat van de zorg voor Hansje op je genomen?” Zuster keek het meisje onderzoekend aan.
„Nou, eerlijk gezegd, was ik een oogenblik erg jaloersch op Jenny, want toen de kwestie ter sprake kwam bij Nini bood ik, vanzelf sprekend, mijn diensten aan. Ik zag me al. rijdend met het fijne diertje, of haar verzorgend als we thuis kwamen.”