157
te worden! Wie me dat vóór eenige maanden voorspeld had, zou ik subiet voor stapelgek verklaard hebben.”
Door de open ramen drong de geur van jasmijn en seringen en heel in de verte hoorde men den koekoek roepen. Uit de boomen klonk vroolijk getwetter van blije vogel-ouders, die zorgzaam af en aan naar het nestje vlogen, waarin de kale kadotjes lagen.
„Zuster, je hebt hier het paradijs op aarde,” zuchtte Mieke, ,,’t Is goed, dat je er niet veel bent, anders zou ik hier ieder oogenblik heen rennen. Onze Klaproos is fijn, maar dit nestje in het groen is gewoon het heerlijkste wat er bestaat.”
Jenny, die languit in haar stoel lag, keek geïnteresseerd naar de twee enthousiaste gezichten tegenover haar. En ze dacht, dat er in haar leven nog nooit iets was geweest, waar over ze zóó verrukt had kunnen zijn. Of het ooit komen zou?
Met een ruk stond ze op uit haar stoel.
„Ik loop nog even bij Nini aan,” zei ze haastig. „Zuster, ik heb het echt prettig bij u gevonden. Mag ik nog eens terug komen?”
„Graag, mevrouw.”
Ze bracht haar de laan uit tot het boschhek en toen Jenny omkeek, zag ze zuster staan in de eenvoudige donkerblauwe japon, klein, tenger figuurtje, met het energieke kopje en de klare, grijze oogen, met als achtergrond de stille boschlaan met de machtige oer-oude boomen.
„Hoe pastoraal,” dacht Jenny en ze wuifde naar zuster. „Er gaat iets fijns van haar uit en ik ben blij, dat ik haar heb leeren kennen.”
„Gelukt, Mieke!” zei zuster voldaan toen ze de kamer weer binnen stapte.
„Was het geen groot toeval, dat ze juist kwam?” vroeg Mieke. „Wat zie je dat toch vaak in ’t leven.”