153
„Als een plaatje uit een Engelsch tijdschrift,” dacht Jenny. Toen hoorde ze voetstappen door het huis en even later stond Zuster Venenbos voor haar.
„Wel Mevrouw, wat een verrassing!” zei deze verheugd. „Wilt u gelooven, dat ik even tevoren aan u dacht! Komt u mee naar de huiskamer. U treft nog een kennis. Mieke Klarenbeek is bij me. We zaten zóó te praten dat we u daardoor niet langs zagen loopen.”
„Niet zoo prettig,” dacht Jenny, toen ze de zuster volgde. „Ik had gedacht alleen met haar te zijn.”
En Mieke die haastig uit den gemakkelijken stoel waarin ze zat, opstond, dacht:
„Dat treft bizonder! ’t Had wel zoo knus geweest nog wat met zuster alleen te zijn. Maar eigenlijk treft ’t net goed.” Jenny werd in een gemakkelijken stoel geplant en toen zei Zuster opgewekt:
„Zoo, nu ga ik even theewater op zetten en moeten mijn gasten elkaar maar bezig houden.”
„Zuster, laat mij het doen!” Mieke stond op. „Ik ben er al langer en Mevrouw Mertens kan dan alleen van u genieten. Fijn, om in uw sprookjes-keukentje rond te scharrelen.”
„Graag dan,” knikte zuster haar vriendelijk toe. „Zuster,” zei Jenny die in één verbazing de kamer had rond gekeken. „Ik ben geheel paf!”
„Is het niet genoegelijk?” Zusters’ oogen, helder als een spiegel, keken trotsch het vertrek rond.
„Niet alleen genoegelijk, maar ook smaakvol, rustig en mooi.”
„Dit is nu de vervulling van een van mijn grootste wen-schen.”
Er was een bizondere klank in zuster’s stem. Er sprak tevredenheid en dankbaarheid uit en nog iets anders, dat Jenny niet thuis kon brengen.