152
Ze kwam langs een boerderij, waar de boerin bezig was de blanke melkemmers te schuren.
„Is het huisje van Zuster Venenbos hier dichtbij?” vroeg ze de vrouw.
„Zien u da’ mosdak gunter tusschen ’t hooge hout? daar mot u zain,” zei vriendelijk de boerin.
„Hemeltjelief, hoe eenzaam!” dacht Jenny, toen ze tuurde naar het huisje, dat verscholen tusschen hooge boomen, vreedzaam lag.
Door de dikke, zwarte aarde, die diepe sporen toonde van een zware kar die er doorheen gereden had, liep Jenny wat moeilijk op haar hooge hakjes, op het huisje toe.
„Maar dit is wel héél lief!” riep ze verheugd uit, toen ze den voortuin vol bloemen, zag.
Het huisje was laag, had drie ramen aan den voorkant en er scheen nog één verdieping te zijn, die vlak onder het bemosde dak was.
„Waar is, om ’s hemelswille de ingang van dit peperkoekenhuisje?” vroeg Jenny vermaakt zichzelf af.
Ze liep het hekje in en zag toen, dat het huisje eigenlijk geheel in een bloementuin stond, waaraan nog een moestuin grensde. „Echt iets voor Zuster Venenbos! hier zou geen ander kunnen wonen.”
Achter het huis vond ze een deur die toegang scheen te geven tot de keuken.
Jenny gluurde door het keukenraam naar binnen.
„Zou ze er niet zijn?” dacht ze teleurgesteld.
Ze klopte op de deur, maar kreeg geen gehoor.
Toen draaide ze den ijzeren deurknop om en stond in het Iceukentje.
„O, hoe knus!”
De gordijntjes, de kleedjes, alles was wit en blauw geruit en van een vroolijk blauw was ook de kleur waarin de keuken geschilderd was.