Zuster had haar uitgeduid waar het huisje stond. Ze kon er wel eens heen gaan.
Het was een heerlijke lentedag in het midden van Mei en Jenny liep opgewekt den kant van het bosch uit.
„Wat een idee van zoo’n mensch, om daar moederziel alleen in een huisje midden in het bosch te gaan wonen!”
trance#**
Hemeltjelief, hoe eenzaam daeht Jenny ....
Ze keek eens om zich heen, zoekend naar het witte hek waar zuster over gesproken had.
„Ah! daar zie ik het al, links van den weg! hier moet het dus zoowat zijn.”
Ze hief den zwaren bout van het hek en liep de lommerrijke laan door, die het hek van de hoofdweg scheidde.