149
voldoening van Maar’, nu ze haar, Mieke, zoo netjes af getroefd had.
„Nou,” zei voldaan Maar’ toen „me boel” aan kant was. „Nou gaan ik lekker an me wasschie. Zorg jij aans voor de koffietafel? hê ’k daar tenminste me kop nie’ mee te breke.”
„Tot je orders, generaal.”
„En a-je dan nog effies op me bel let, dan kan ik an me werrek blijve.”
„Zonder mankeeren, generaal!”
„Ik voel me net een recruut die gedrild moet worden,” dacht Mieke vermaakt, toen Maar’ naar „me keuke” was verzeild.
Ze liep de kamers eens door om te kijken of ze hier of daar nog iets te doen kon vinden.
„An de zitkamer hoef vandaag niks gedaan,” had Maar’ vastgesteld.
Mieke ontdekte echter hier en daar nog wat stof en ging met de plumeau de meubels langs.
Toen ze bij den vleugel kwam ontdekte ze er een portret van Hans op, dat ze nog niet gezien had.
„Hoe goed!” zei ze, het portret bekijkend en den grooten kop bewonderend, die een sprekende gelijkenis vertoonde.
„Toch heb je geen sterk gezicht, Hans,” dacht ze. „Er is iets waarin je sterk ben en dat is je Kunst, maar overigens.... Je hebt een echt gezicht om jonge meisjes het hoofd op hol te brengen en er zullen nog heel wat slachtoffers vallen. Maar je lijkt me geen man voor het rustige geluk, dat ik me zou wenschen als ik er oud en rijp genoeg voor ben.”
Ze zette het portret plotseling neer en in dit neerzetten kwam een krachtig besluit tot uiting.