143
piekerde Mieke voort en lette niet eens op, dat haar moeder de kamer binnen kwam.
„Nog op?” vroeg deze verwonderd en ze zette zich bij Mieke neer.
„Nu zal moeder misschien vragen wat er met Jaap was,” dacht Mieke wrevelig.
„Zeg, kindje, ik had gedacht, dat je Nini moest vragen of je Maar’ ook wat kan helpen. Zulke dagen zijn meestal zoo druk, er komt veel bezoek en Maar’ krijgt bovendien nog het kinderwaschje te doen.”
„En u dan? moet u hier voor alles alleen zitten?”
„Ik heb nu toch geen haastwerk en kan het best een paar weekjes alleen af.”
„Zoo’n lieverd,” dacht Mieke verteederd.
„Je zult nu in een heel tijdje geen zangles hebben.” „Neen.”
„Wat zeg je dat onverschillig.”
„Nou ja. Ik zat er net over te piekeren. Ik voel er niet meer zooveel voor om door te gaan.”
„Voorbijgaande stemming,” veronderstelde haar moeder. „Misschien, maar ik geloof het toch niet.”
„Kom, zoo’n inzinking heeft iedereen wel eens.”
„Och ja. Moeder, zeg eens eerlijk, als je hadt moeten kiezen tusschen een loopbaan, waarbij je haast nooit thuis was en een echt gezellig thuis, wat had je dan gekozen?”
„Ja, dat is een gewetensvraag, die je me daar stelt. Vergeet niet, dat ’t bij mij samen kon gaan en ik me het gevoel dus niet zoo geheel kan indenken. Maar ik durf haast wel zeker te zeggen dat ik toch het laatste gekozen zou hebben. Er is niets in de wereld, dat gaat boven huiselijkheid en de intimiteit van het gezinsleven.”
„Ja, zoo voel ik het ook,” zei Mieke langzaam. „En om je heen zie je zooveel verbrokkeld gezinsleven. Hoe kan het bestaan, moeder? Zélfs bij Al en Nin, die toch heusch veel