138
de zuster toewuivend, verliet ze op de teenen de kamer. Beneden wachtte Hans haar op.
„Niet fraai, hè? die nicht van mij.”
„Jongen!” zei Mieke verontwaardigd, ,,’t Is gewoon een
dot!”
„Alweer een, die dat kleine wurm een dot vindt! Ik kan er niet bij.”
„Wacht maar tot ze een paar maanden ouder is, dan ben je verrukt van haar. Mannen houden over het algemeen niet van zulke peutertjes.”
„Behalve de vader dan toch! AI is gewoon in extase voor z’n dochter! Zeg, Klaproos, ik zie mezelf al als trotschen vader!”
„Zou je bijzonder flatteeren! Nou Oome, ik ga er van durch!”
„Zeg es even, waar blijft onze avondwandeling? Ik ga mee! Zoo lang kan ik ’t niet meer doen.”
„Nou, vooruit dan maar.”
„Vriendelijkheid is toch maar alles! Zoo uitnoodigend klinkt dat weer.”
„Verwend jog! je hadt zeker liever, dat ik een knieval zou doen om je mee te krijgen.”
„Dat niet, maar een beetje meer enthousiasme voor een wandeling met mij bij maanlicht had me toch wel aangenaam geweest.”
„Het i s werkelijk een prachtige avond,” zei Mieke en haar blikken gingen over de maanverlichte hei. „Zalig toch, buiten wonen, vin-je niet?”
„Ja, voor ’n paar weken,” vond hij. „Ik zou niet voor goed buiten kunnen wonen.”
„En ik niet in stad. Al dat geroezemoes en die akelige luchtjes. Vreeselijk gewoon!”
„En als je nu een man zou huwen, Klaproos, die z’n werkkring in stad had ”