137
„Zou je wel.... zoo direct?” vroeg bedachtzaam Mevrouw Klarenbeek.
„Even maar om het hoekje gluren om Nini’s gelukkig gezicht te zien. Ik zal geen woord spreken.”
„Ga maar op m’n bagagedrager zitten,” zei Hans, toen ze buiten waren.
„Niet zoo racen!” gebood Mieke, toen ze achter hem zat.
„Wat een zalig wêer!” schreeuwde Hans haar toe. „Op den terugweg gaan we kuieren, hoor! Nou, dame, we zijn er! Vlug, hè?”
Op haar teenen liep Mieke naar boven en op het portaal ontmoette ze een trotschen vader die haar meetroonde naar de kamer waar moeder en dochter lagen.
De zuster — het was dezelfde die een tijdje Dientje Bijl had verpleegd — keek even bestraffend op.
„Nu al bezoek?” vroeg ze.
„Even maar zuster,” stelde Alfred haar gerust.
„O, is het Mieke,” zei de zuster, haar herkennend.
„Ik zal geen woord tegen mevrouw zeggen,” beloofde het meisje.
„O, Mieke,” lachte Nini haar tegen, ,,’t Is zoo’n schat!”
Mieke kuste haar even en verdween dan om in de wieg te gluren die in den anderen hoek van de kamer stond.
Heel stil bleef ze kijken naar het wondertje in de wieg, naar het kleine oudevrouwtjes-gezichtje, de driftige roode knuistjes.
„Zoo schattig,” dacht ze in verteedering, „zoo klein en hulpbehoevend. Je zoudt het opnemen en tegen je aandrukken.”
Een totnogtoe ongekend gevoel maakte zich van haar meester en voor de eerste maal in haar leven gaf ze er zich rekenschap van, dat er iets was, dat meer nog haar ideaal nabij kwam, dan het worden van een groote zangeres.
Toen rukte ze zich los van het rose wonderwereld je en