139
„O, nou ja....”
„Je wil zeggen, dat je je er dan wel in zou schikken. Als je genoeg van hem hield, wat?”
„Och, zeur niet, daar denk ik nooit aan.’’
„Maar ik zooveel temeer. Zeg Mieke, ’t is net een avond voor.... hoe noem je zooiets.... een declaratie.”
„Hè ja, vooral als die zoo ernstig gemeend is!”
„Ich will ja nichts als deine Liebe....” zuchtte Hans sentimenteel
„Toe, houd op met je nonsens!” snauwde Mieke.
,,’t Lamste is, dat ik het ernstig meen en jij weer alles voor nonsens opneemt. Klaproos, ik houd werkelijk van je.” Zijn arm drukte steviger haar arm en Hans’ anders zoo overmoedige oogen blikten nu ernstig in de hare.
„Ik vind het ellendig, dat ik al zoo gauw weg moet. Ik heb niet eens den tijd om je te overtuigen, dat het me heusch ernst is. Zeg, Mieke, houd je ook een beetje van mij?”
Mieke had een spottend antwoord op de lippen, maar toen ze zijn ernstige oogen zag hield ze de woorden terug. „Houd je heelemaal niet van me?” drong Hans aan.
Een vreemd gevoel overmeesterde Mieke.
Had ze dit gewenscht? had ze er in stilte op gehoopt? Was ze blij met Hans’ bekentenis?
Wat al gedachten vlogen er in den tijd van een seconde door haar hoofd.
„Je laat me maar zoo’n beetje zwammen, hè?’ vroeg Hans beleedigd.
„Ik.... ik weet ’t niet,” haperde Mieke. „Ik ken je nog maar zoo kort. Waarom moest je dat nu vragen?”
„Waarom? neen maar, die is rijk! Omdat ik van je houd! En antwoord me nu toch eens. Houd jij van mij?”
„Ik.... weet ’t niet,” haperde Mieke. „Soms denk ik van wel en dan weer....”