135
„O, God! er is wat met Jaap!” vloog het door haar hoofd, terwijl ze opsprong.
Ze voelde haar beenen trillen en ’t was of ze vastgenageld bleef op de plaats waar ze stond.
Van beneden klonk een jolige stem die iets brulde. „Hans! o, Goddank!” ademde ze verlucht op.
Ze hoorde de stemmen van haar ouders blij opklinken en dan Hans, die galmde:
„Klaproos 1 Klaproos! kom eens gauw naar beneden, ik heb een reuze-nieuwtje voor je!”
Nog met trillende beenen en heftig kloppend hart rende ze naar beneden.
In de huiskamer stond Hans en zijn gezicht was één en al straling. ' Hansje is er! . . ..
„Hansje is er!”
Zijn lange armen zwaaiden haar in verrukking toe.
„Hansje?” vroeg Mieke, of ze uit een droom ontwaakte.
„Ja, Hansje! droom je, Mieke? de dochter van Nin en Al, de nicht van Hans! ze is geboren, in avondgloren!”