134
bang geweest, al reed Jaap in nog zulk hondenweer weg.” Weer probeerde ze de melodie, die ze vierstemmig uit moest werken tot een gunstig einde te brengen, doch hoe ze er ook op zwoegde, het wilde niet lukken.
„Dat het ook zoo ellendig moest treffen met dat Corteau-kwartet. Net den laatsten avond, dat Hans er is en Nini een fuif geeft. Ik kan haar toch waarachtig niet voor den heelen boel alleen laten opdraaien.”
Maar Mieke was eerlijk genoeg tegenover zichzelf om direct daarop te bedenken, dat dit niet de ware reden was waarom ze de fuif er niet aan gaf.
„Misschien zie ik hem in een heel jaar niet meer, ik kan dien laatsten avond niet opgeven.”
Ze zag in gedachte Hans’ geestig gelaat met de lachende, donkere oogen.
„Klaproos! wat neem je de dingen weer zwaar!” zou hij zeggen. „Natuurlijk kom je en laat dien Meneer Japie nou maar met een ander gaan.”
Jaap met een ander! ’t Was om te lachen.
Jaap zou de tweede kaart, haar kaart, rustig laten ver-loopen en alleen gaan. Want wat hij ook had, er was niets wat hem zijn evenwicht méér terug kon brengen, dan het hooren van waarlijk mooie muziek.
„Ik kan vanavond niet werken,” gaf ze het op en ze smeet het muziekboekje dicht.
„De eerste keer dat mijn werk niet af is als ik op les kom,” zuchtte ze.
Ze zette zich neer in het kleine stoeltje, dat vlak bij de boekenplanken stond.
„Ik zal het boek gaan lezen, dat Jaap me laatst meebracht. Zoo misselijk van me, ik heb er nog geen oog in geslagen, ’t Is nog niet eens opengesneden, bah!”
Ze wilde juist het vouwbeen van haar bureautje pakken, toen een harde bel haar deed opschrikken.