„Hoe gaat het met Dientje van Bijl?” vroeg Jaap Verver, die in Mieke’s kamer zat en met stuursch vertrokken mond op een uitgegane pijp zat te kauwen.
„Ze gaat goed vooruit,” zei Mieke die een ladder in een zijden kous trachtte te repareeren.
„Zou ze al mogen lezen?”
„Neen, dat zeker niet. Ze moet nog steeds rustig blijven liggen, ’t Schijnt een erge hersenschudding te zijn geweest.” ,,’t Is te hopen, dat de hersens van dat roekelooze wezen ook wat door elkaar zijn geschud,” zei Jaap wraakzuchtig. „Misschien is er dan eenige kans, dat ze op de rechte plaats zijn gekomen.”
„Ik geloof, dat het ongeval haar zeker geen kwaad heeft gedaan; ze is tenminste heel wat kalmer geworden en ze moet erg lief voor Dientje zijn.”
„Allicht, zeg! Ze had zeker de noodige cocktails op toen het gebeurde. En die zwager van je vriendin Nini zat naast haar, hè?”
„Hoe kom je er bij?” zei Mieke geërgerd.
„Ik had zooiets gehoord.”
„Misselijke leugens! Hans was thuis toen het gebeurde.” „Wind je niet zoo op, Mieke.”
„Nou ja, al dat gezwam!” Mieke’s haakpen pikte nijdig door de dunne zij van de kous.
„Wil jij morgen een aardig mandje met fruit voor me laten opmaken en dit naar het kleine ding sturen? Nu ze nog niet mag lezen....”
„Lief van je. Ik zal er voor zorgen.”
Er was een lang zwijgen.