129
„Ik kon ’t in huis niet uithouwe,” verontschuldigde vrouw van Bijl zich.
„Ieder oogenblik dacht ik, da’ meneer dokter de boodschap brenge zou....”
Jenny durfde haar kant niet op kijken.
„Ik zal even hooren,” fluisterde ze dan.
Juist wilde ze naar boven gaan, toen Herman binnen trad.
„U hier?” zei hij verrast en vrouw van Bijl’s hand pakkend: „Ze is bij bewustzijn, hoor!”
„Uw vrouw hêt ’t me verteld, dokter. Ze waar’ op weg naar me toe.”
Herman keek even naar Jenny, die bleek en huiverend, nog met haar mantel om, in een hoek van de kamer zat.
Maar direct weer wendde hij zijn blikken van haar af.
„Wilt u haar even zien?” vroeg hij vrouw van Bijl. „Maar niets tegen haar zeggen, hoor!”
„Meheer dokter is wel vrindelijk, maar ik zal nu toch maar gaan. Als ze me zien, wil ze mee huis toe en da’ kan niet. Enne.... vader zal ook blijd zijn as ie hoor’ da ’t kind weer bij d’r possetieve is.”
Dan, naar Jenny gaande, die nog steeds in mekaar gedoken zat, zei ze, haar met haar klare, strenge oogen vast aankijkend:
„Me mot’ allegaar leere, mevrouw, en as me struikele, dan mot’ me weer opstaan. Maar je mannetje, mevrouw, da’s ’n beste, hou die in eere.”
En in den blik, dien ze dokter toezond, was één en al dankbaarheid.
Mieke van de Klaproos.
9