128
„Zuster, zuster....!” smeekte Jenny.
De zuster keerde zich om, zag Jenny’s bleek gelaat, haar hongerende blikken.
„Ze is bij bewustzijn,” fluisterde ze.
„Is nu.... is nu het gevaar geweken?”
„Ze braakt.... hersenschudding.... ze leeft tenminste....”
Zuster spoedde zich weer naar het bed.
„Ze leeft tenminste!”
Het zong als een vroolijk liedje door Jenny’s vermoeide hoofd.
„Ze leeft tenminste.... en ik heb geen moord op m’n geweten.”
Toen gingen haar gedachten naar de moeder van het kind, die óók niet zou slapen en niet wist, of haar kind nog leefde.
„Ik durf niet,” vocht ze met zichzelf. „Niet naar die vrouw en niet alleen door dien donkeren nacht. En Herman dan? die soms uren ver gaat op z’n motorfiets in het holst van den nacht.”
Werktuigelijk ging ze naar beneden, nam haar mantel van den kapstok en ontsloot de huisdeur. Ze deinsde terug voor het duister van den nacht.
„Ik durf niet,” zei ze en ze rilde, maar toch liep ze het tuinhek uit.
Een gedaante schoot uit het donker op haar toe. Jenny gaf een gil van schrik.
„Is er.... is het kind....?”
Ze herkende vrouw van Bijl’s stem.
„Ze leeft.... ze is bij bewustzijn!” stelde Jenny haar gerust en ze voelde haar hart bonzen in haar keel.
„God zij geloofd en geprezen,” zei een ontroerde stem.
„Komt u even binnen. Misschien mag u haar zien.”
Jenny ging haar voor door de hall, nam haar mee naar de huiskamer.