126
„Wat is ze toch knap en elegant,” dacht ze. „En ze lijkt niet zoo onsympathiek als ze wordt afgeschilderd. Er valt niet veel van te zeggen. Nu is ze bang en voelt ze zich klein, nu ze door haar onbezonnenheid dat arme, kleine ding...”
„Zuster, ze beweegt!” riep Jenny haar onstuimig toe.
„Het lijkt maar zoo,” zei rustig zuster. „Omdat we het zoo graag willen.”
„Als ze niet meer wakker wordt...” er was een snik in Jenny’s stem.
„Waarom direct het ergste te gelooven?” fluisterde zuster terug.
„Wat is u kalm.”
„Moet wel.”
„Ik kan niet wachten. Dit maakt me kapot.”
„We moeten allemaal leeren wachten.”
„Heeft het lang geduurd vóór u het kon?”
„Niet zoolang als het geduurd heeft vóór ik geloofde dat ik . . . vergeefs gewacht had.”
Zuster stond op en ze ging naast het bed zitten, nam het kleine, ronde polsje van Dientje in haar hand.
Jenny keek haar na, zooals ze klein, fijn persoontje weg stapte.
„Waar heeft ze vergeefs op gewacht?” peinsde ze. „Ze wil er niet verder over praten, daarom ging ze bij het bed zitten. Wat was er ook weer met die zuster Venenbos? had ze er niet eens over hooren spreken? maar waar, en wat?”
De deur van de kamer werd zacht geopend. Herman Mertens, de oogen in volle belangstelling op het bed gericht, kwam binnen.
„Nog steeds niet,” zuchtte hij. Dan zag hij Jenny zitten.
„Ga naar beneden, vrouw van Bijl komt daar.”