125
vriendelijke gezicht, dat gebogen was over het handwerk waarmee ze bezig was.
De lamp wierp een lichtgloed over het gladgestreken bruine haar, het hooge voorhoofd.
De hand, die de naald zoo rustig op en neer liet gaan, was wat rood en verweerd, door het water en de desinfectee-rende stoffen waarmee ze steeds in aanraking kwam.
„Ze kan haar handen niet gaaf houden, natuurlijk niet,” dacht Jenny, „Maar overigens ziet ze er zoo verzorgd uit, geen smetje op dat kraakzindelijke schort.
En wat heeft ze een aardig figuur. Hoe zou ze er uitzien in een gewone japon? Misschien niet half zoo aardig. Het verpleegsters-uniform past zoo echt bij haar streng nonnenkopje.”
De zuster, Jenny’s blikken voelend, keek op.
„Wilt u mischien een boek hebben?” fluisterde ze.
„Heeft u hier iets?”
Zacht stond de zuster op, haalde uit haar koffer een boek.
„Kent u het misschien?”
„De Vrouw in het Woud,” van Henriëtte Roland Holst,” las Jenny. „Verzen? daar houd ik niet van.”
„Er is voor ieder onzer een stukje waarheid in te vinden,” zei de zuster zacht.
„Houdt u van lezen?” vroeg Jenny.
Er was een oplichten in zuster’s oogen. Dan keek ze plotseling naar het bed, waar ze een lichte beweging van het kind dacht waar te nemen.
Jenny, gespannen, keek ook.
„Wéér niets,” zei ze ontmoedigd.
„Waar leven is, is hoop,” troostte de zuster.
Jenny nam het boek, bladerde er in, las werktuigelijk, zonder dat de woorden tot haar doordrongen.
Nu namen de klare oogen van zuster haar op.