124
„O, ik houd het niet uit!” snikte Jenny toen ze weer terug was in haar boudoir en zich neergooide op den divan.
Van de kleine pouffe, die naast den divan stond, grijnsde haar de groteske clown toe, die een van haar meest geliefde poppen was.
Ze kon zijn grijns niet velen, zag er dezelfde bijtende spot in, die op Herman’s gelaat lag toen hij vroeg: „Voor hoe lang?”
Herman was weggegaan, zonder naar haar om te zien. Hij had het eten onaangeroerd laten staan, was alleen eenige keeren naar boven gegaan.
„Ik voel me zoo alleen,” snikte Jenny in medelijden met zichzelf.
Uitgaan durfde ze niet, ze vreesde een haat-uitbarsting van de bevolking als ze haar zouden zien.
„Iemand opbellen?” dacht ze.
„Maar wie? Zal ik Vader vragen een paar dagen te komen.”
Boven haar hoofd hoorde ze loopen.
„Zou het kind ...?”
Ze veerde op, holde naar boven.
„Zuster... ?”
„Neen mevrouw, nog niet,” zei de zachte stem.
Die stem had een kalmeerenden invloed op Jenny.
„Zuster, mag ik hier wat blijven zitten?” vroeg ze. „Ik ben zoo alleen. Ik zal heel rustig zijn.”
„Natuurlijk, mevrouw. Haalt u een handwerk, dan gaan we bij de tafel zitten, daar heb ik het oog op het kleintje.”
Wat klonk dat rustig en genoegelijk, dacht Jenny en dan zei ze beschaamd als een klein meisje:
„Ik heb niets te handwerken. Laat u me maar gewoon hier zitten, dan voel ik me rustig.”
Jenny zette zich neer tegenover de zuster, keek naar het