122
Maar direct werd haar door de anderen het zwijgen opgelegd.
Hij was neergeknield bij het kind, luisterde naar het hartje, dat nog maar heel zwak tikte, zei dan kort:
„Maak plaats, ik zal haar naar mijn huis dragen.”
„Dokter, laat u mij...” een stoere boerenarbeider bood het aan.
„Dank je, Klaas,” vriendelijk klonk het. „Het dragen moet zoo voorzichtig gebeuren, ik vrees, dat ze een hersenschudding heeft.”
De menschen gingen gewillig uiteen en dokter Mertens tilde met de grootste voorzichtigheid het teêre lichaampje van den grond op.
Toen gingen zijn blikken naar Jenny die nog steeds wanhopig snikkend bij haar auto stond.
„Rij naar huis en maak in de slaapkamer alles zoo klaar, dat ik het kind direct kan neerleggen. Neem de kussens van het bed.”
„Kan ze weer ongelukken maken,” schreeuwde een vrouw met gebalde vuisten Jenny na.
„Houd je kop! die man hep genoeg!” ’t Was de boerenarbeider, die aangeboden had het kind te dragen, die het zei.
Het dokterhuis was gelukkig niet ver af, maar dokter Mertens had den gang erheen wel de zwaarste van zijn leven gevonden. Wist hij niet, dat iedere beweging het kind noodlottig kon zijn? En zou hij wel ooit het gezicht vergeten van vrouw van Bijl, toen ze stond voor het bed, waarop hij het wasbleeke, bewustelooze kind had neergelegd? het onbewegelijke, pauselijke gezicht met de toegeknepen lippen?
„Zou ze er mee heengaan, dokter?” had ze gevraagd en er was een gebarsten klank in haar stem geweest.
Dokter Mertens had geen hoop durven geven.
„Als God wil..