120
In de „goeie kamer” van de van Bijl’s brandde licht. „Ze ben’ zeker daar,” zei Maar’ en ze deed behoedzaam de kamerdeur open.
Rechtop in den leunstoel, met als uit steen gehouwen gelaat, zat moeder van Bijl, in den anderen stoel, snikkend, de handen voor het gelaat, haar man.
„Moeder!” gilde Maar? „Is.... is Dientje....?”
„Houd je bedaard, Maar’.” Moeder’s stem klonk zoo vreemd, zoo ijzig, vond Maar’.
„Dientje is er erg aan toe. Aans gaan we er heen, ma je mee.”
„Waar leit ze?” fluisterde Maar’, met geweld haar snikken smorend.
„In ’t doktershuis.” Moeder van Bijl klemde de lippen opeen.
„Da’ lieve engeltje,” snikte de vader.
„Wor’ niet naar gevraagd.”
Bijna hard klonk het, maar over het doorploegde' gelaat van vrouw van Bijl trok een smarttrek, ZÓÓ Rechtop in den leunstoel zat Moeder hevig, dat het Hans, die, Van
wat verlegen met z’n figuur, aan de deur was blijven staan, door merg en been ging.
Toen pas zag de moeder hem staan en even gingen haar blikken snel van Hans naar Maar.’
„Ik heb uw dochter op de fiets hierheen gebracht. Ik ben de broer van meneer Rety.”
Werktuigelijk stond de moeder op, streek ze haar schort glad.
„U wor’ bedankt,” zei ze dan.
Hans, voelend, dat hij tegenover deze stomme smart toch