118
weer in Berlijn zit, is ie de blonde Klaproos al lang weer vergeten.”
Maar’, die een voorwendsel had gezocht om binnen te komen, stak haar hoofd om de deur.
„Ma’k de lepeltjes effies van de theetafel krijge? ik ben aan ’t poetse.”
„Maar’, hoe denk jij over het houwelijck?” vroeg Hans en hij gaf haar een slag op den schouder.
„Och, jongen!” weerde ze af. „Je doen iemand eeuwig zeer.”
„Alweer een vrouw, die ik zeer doe. Ik schijn niet met de vrouwlui te kunnen omgaan. Wat is je antwoord op mijn enquête, Maar?”
„Blankette! da’ lieg je lekker! Alleenig maar ’n beetje poeier. Mieke doen ’t ook. Is dat nou zoo erg?”
Hans brulde en Nini schoot ook in een lach om het misverstand.
„Jij moet niet alles na-apen wat Mieke doet,” zei Hans streng.
„Mijn neus is niks minder as die van haar. En zij mot net zoo goed werreke voor de kost as ik.”
„Hoor nou die logica!” lachte Hans. „Daarom hoef jij toch niet alles te doen wat zij doet. Daarbij komt, dat Mieke zich zeer bescheiden poeiert en jij van je gok een heel plafond maakt. Nin, is ’t waar of niet?”
Nini, die het poeieren van Maar’ totnogtoe heelemaal niet opgelet had, keek uit haar droomerijen op en zei langzaam: „Dat moet mevrouw van Manen zien, Maar’!”
De naam werkte magnetiseerend op Maar’ en haar neus met den rugkant van haar hand afvegend, zei ze gedwee: „Doen ik ’t niet meer, mijn ’n zorg!”
In haar keuken teruggekeerd, smeet ze de lepeltjes op tafel en begon in razend tempo te poetsen.
„Mieke voor en Mieke na! ik zou die meid met gemak