117
„En dat jog? d i e is natuurlijk smoor!”
„Waarschijnlijk is zijn gevoel voor haar heel diep en ernstig.”
„Kun je je nou zoo’n knul voorstellen, die maar geduldig zit te wachten of ze hem wel of niet zal accepteeren? Zou niets voor mij zijn! Zou ik ’t geduld niet voor hebben, zoo-ïets moet haar toch gaan vervelen, zoo’n slaafsche, onderworpen aanbidding.”
„Ik geloof niet, dat ’t dat is. Hij moet een stugge natuur zijn en iemand met een ongeloofelijk sterken wil. Hij lijkt me meer trouw, dan slaafs en onderworpen.”
„Spreekt ze wel eens met jou over hem?”
„Het interesseert je toch bijzonder, Hansje!”
„Wat ben je wakker vandaag!”
„Ja. Zeg, Hans, je kunt je toch nog niet binden. Je moet je carrière als solist eigenlijk nog maken.”
„Nin, je bent een raar wezen. Wie spreekt er nu over binden? Jij was natuurlijk alweer eenige stations verder en zag de Klaproos en mij al gehuwd.”
„Jullie z o u d t een aardig paar zijn.”
„Hè, ja! Zij zoo klein en blond, ik een reus en zwart. Beelderig, gewoon! Maar dat kan ik je wel zeggen, Nin, als ik werkelijk van haar zou houden en zij van mij, dan zou ik me zeker durven binden, zooals jij dat zoo mooi zegt. Ik geloof zelfs, dat het veel beter zou zijn.”
„D’rum prüfet wer sich ewig bindet, der Wahn ist kurz, die Reue lang!”
„Quatsch! je moet over die dingen niet zoo redeneeren, Houd je van mekaar? goed zoo! geen lang gezwam erover. Goeie hemel, wat nemen jullie de dingen zwaar! Als je van mekaar houdt, heb je het geduld te wachten tot je positie zoo is, dat je, zooals jullie vrouwen het zoo komiek kunt zeggen: je in kunt richten. Maar maak je niet ongerust, schoone zus, zoover zijn we nog lang niet en als broer Hans