116
Hij keek haar na toen ze op haar fiets weg reed.
„Aardig type, die Mieke,” zei hij dan.
„Hoe vind je haar stem?” vroeg Nini.
„Heel mooi. Zoo klaar en zuiver.”
„Ja, een echt natuurgeluid. Ik ben soms bang voor de verantwoording.”
„Begrijp ik. Maar je methode is toch goed, anders zou Alfred het wel zeggen.”
„Dat is zoo. Maar er is nog iets anders waardoor ik me bezwaard voel. Wij hebben er zoo op aangedrongen, dat ze voor zang zou gaan studeeren en toch weet ik niet of ’t
Mieke gelukkig zal maken. Ik bedoel de loopbaan als con
certzangeres, wat dan toch de bedoeling is.”
„Ik kan me haar tenminste niet voorstellen als een met lauweren overladen concert-zangeres.”
„Neen, ik ook niet. Maar toch is het haar liefste wensch en als we haar daarmee kunnen helpen zijn we erg blij. ’t Is zoo’n schat van ’n kind en ze is dien naren tijd van Alfred’s zenuwoverspanning een echte steun voor ons geweest.”
„Is 't.... heusch niks met dien Jaap en haar?”
„Wat interesseer je je er voor. Ben je verliefd, Hans?” „Ik weet ’t zelf niet. Weet je, ze is zoo’n natuurlijk meisje, zoo heelemaal geen aanstelster en die vind je niet zoo veel. Maar verliefd? Je weet hoe ik ben, Nin. Mijn hart is van een ongeloofelijke rekbaarheid en ik ben minstens tien keer in een maand verliefd. Dat hindert allemaal niet. Er sterft er geen een aan ’n gebroken hart, wanneer mijn verliefdheid weer net zoo gauw foetschie is als die kwam. Maar met een meisje als Mieke zou ik toch niet zoo onbarmhartig kunnen flirten zonder meer. Wat voelt ze nou eigenlijk voor zoo’n Jaap?”
„Vriendschap, anders niet. Het vriendje uit haar schooljaren, waar ze ellenlange gesprekken mee houdt.”