103
„Nou mö-je toch es zien, wa' die pias allegaar heeft late sture!”
En ze trok Mieke mee naar de glazenkast, waar gegarneerde schotels prijkten en een pudding, die er verleidelijk uitzag.
„En kijk es hier! een trommel mê van die lekkere korkè-tjes! d’r zit vuur onder. Wa’ mevrouw ’n ooge zal opzette! da’s anders as angebrande bief!”
„Die Hans! wat een eenigerd!” zei Mieke zacht.
„Ik geloof, da’ je ’t nou al van ’m te pakke hêt.” Maar’ zei ’t vinnig.
„Och, kind, vlieg op! vooruit, help me gauw even den theeboel omwasschen.”
Mieke had de tafel in de perfectie gedekt en alle mooie spulletjes, die Nini gemakshalve nooit gebruikte, uit de kasten opgediept. Terwijl ze hiermee bezig was, hoorde ze in de keuken Maar’ gieren en ze dacht, dat Hans natuurlijk wel weer het een en ander uit zou halen.
Doch toen ze eens ging kijken, was Hans al verdwenen en Maar’ zei, dat ie met water had gegooid.
Even later kwam hij de eetkamer binnen en bood hij aan met opdienen te zullen helpen, wat Mieke dankbaar accepteerde, want Maar’ was niet in staat alles behoorlijk binnen te brengen.
„Laten we om beurten doen, anders is ’t zoo saai, als er telkens twee van tafel op staan. Zal ik dan beginnen met de soep binnen te brengen? Ik zal ’t heusch voorzichtig doen.”
Mieke vond het best en ze ging naar de zitkamer.
„Madame est servie!” kondigde ze aan.
„Dat ziet er veelbelovend uit,” vond Alfred, toen hij de verschillende couverts zag.
„Nini, bel je even, dan verschijnt de soep,” stootte Mieke de droomster aan.