grut” zoals ze de bakvissen betitelde, die ze les gaf. Ze herinnerden haar aan haar eigen onbezorgde jeugdjaren. Die lagen nog wel niet zo heel ver van haar af — ze was vier en twintig — maar het leek haar, alsof er een lange reeks van jaren tussen toen en nu lagen.
Onbezorgd en gelukkig, zó waren haar jeugdjaren geweest.
„Tot ik vijftien was,” dacht ze, terwijl ze zich neerliet in 'het kleine stoeltje — Moeder’s stoeltje — en het blonde hoofd steunde in de lange, blanke hand.
Daarna had het slagen geregend voor het jonge meisje. Haar ouders waren in een erge griep-periode gestorven, heel kort na elkaar. En was het toen niet geweest of de zon nooit, nooit meer zou gaan schijnen voor Anne-Marie? Haar oudste zuster ging kort daarop, getrouwd naar Indië, de daarop volgende zuster naar Transvaal als verpleegster, haar enige broer, de tweede stuurman, was haast altijd op reis en zijzelf kwam in huis bij Vader’s oudste zuster, een erge goede vrouw, maar tobberig van aard. Die eerste tijd had het jonge meisje bijna de haar aangeboren vrolijkheid gekost. Gelukkig was haar oom, hoewel wat streng, toch wel opgewekter dan zijn ega en met hem was er nog wel eens een zonnestraaltje in het zo stille huis gekomen.
Oom was muziekleraar en direct ontdekte hij in Anne-Marie een bizonder muzikaal talent.
Het was, toen haar ouders nog leefden al vaak besproken, dat de jongste telg door zou gaan voor muziek en haar ouders, hiermee rekening houdend, hadden haar goede lessen laten geven. Maar Anne-Marie had eerst de Mulo moeten doorlopen en toen ze die net achter de rug had, stierven haar ouders.
Oom had het duchtig aangepakt en het nichtje had het niet gemakkelijk bij hem gehad. Was hij voor al z’n leerlingen streng, voor haar was hij als het kon nóg strenger.
Ze was er wel eens moedeloos onder geworden, dat hij
99