je is en dat weerspiegelt op ieder, die met je in aanraking komt.”
En Riek, terwijl ze vlug de tafel opruimde waarop haar huiswerk had gelegen, dacht:
„Zoals we toch met die huisgenote geboft hebben, daar is het eind van weg! Dat is nou toch zó’n genoegelijk wezen, je moet van haar houden en je zou al een akelige ise-grim moeten zijn, om haar niet een reuze mens te vinden.”
De week daarop maakte Ans haar entrée bij haar pianolerares.
„Da’s héél wat anders dan Riek,” schoot het door Anne-Marie’s hoofd, toen Ans, die voor deze gelegenheid een van haar mooiste jurken had aangetrokken, met een halve révérence voor haar boog.
Ans, van haar kant, keek verbaasd op toen ze de rijzige gestalte van haar lerares zag, het statige hoofd met de helm van gouden haren. Haar vorige lerares was een stijf, wat schuw dametje geweest, dat onmiddellijk bij Ans onder de plak had gezeten en niet eens boos had durven worden over het feit, dat Ans hoegenaamd niets voor de les uitvoerde.
„Dat Riek nooit iets gezegd had, dat ze zó knap was en zó statig,” dacht Ans, die direct voelde, dat ze wijs zou doen bij deze lerares te studeren en weinig praats te maken. Ze begon al spijt te krijgen over haar overijld besluit de gehate pianolessen weer te hervatten. „En die Riek, die net over haar sprak of ze de genoegelijkheid en vrolijkheid zelf was! Zij, Ans, vond haar koel, streng, een mens om nooit gekheid mee te maken. O, maar als ze dacht, dat ze haar onder het sim kon krijgen, kwam ze van een rare kermis thuis!”
Anne-Marie, die door de vele lessen, die ze gaf, kijk op haar leerlingen had gekregen, voelde direct, dat dit geen gemakkelijke leerlinge zou zijn en wat geamuseerd keek ze naar de verschillende aandoeningen, die zich op Ans’ gezichtje weerspiegelden.
94