nieuwe boeken had ingekeken, ging ze weer vlug weg.
Geen van de kennisjes voelde, hoe graag Ans een meisje bij zich had. En kon ze het ze nu maar eerlijk zeggen, maar dat wilde ze niet. Het griefde haar, dat al het moois waarmee ouders en grootmoeder haar omringd hadden, niet zóveel indruk op de meisjes maakte, dat ze daarom alleen al graag bij haar wilden zijn.
Stond het bonbonbakje, het fijne zilveren, dat ze van Oma had gekregen, niet altijd gevuld met de zaligste bonbons? En stond er in het kastje van het aardig thee-meubeltje niet steeds een fles limonade klaar? Wat had je aan een kamer, waar nooit iemand anders kwam, dan grote mensen? Nooit had ze dit alles sterker gevoeld, dan op deze middag, toen ze door haar eigen toedoen het vrijwel onmogelijk had gemaakt om bij het enige meisje te blijven komen, waar ze dolveel van hield en waar ze eigenlijk torenhoog tegen opzag.
Riek had er geen flauw idee van, dat Ansje haar zo hartelijk toegedaan was, vond haar ’n beetje zielig kind, dat met al haar rijkdom toch ontevreden van aard was en steeds overal de eerste wilde zijn.
„Dat het nu juist dat de Kruyve-kind moet zijn, dat Riek ingepalmd heeft,” zuchtte Ans. „Ik wou, dat ik mooi kon zingen, of cello spelen! Dan zou Riek met mij ook samen willen spelen en zou ik haar daardoor terug kunnen winnen.”
Ans vergat echter, dat Riek en zij nooit zo heel veel samen waren geweest en er dus van terug winnen geen sprake kon zijn. Maar, zoals ze alles overdreef en wat scheef voorstelde, zo deed ze het ook met dit geval. Waar het kwaad zat, wilde ze echter niet zien en al was er soms een opkomende gedachte, die haar de goede kant uitdreef, al gauw werd deze weer verdrongen door haar zelfbeklag en haar gewoonte om de schuld van alles steeds bij anderen te zoeken.
Maar deze middag liet het tikkertje, dat we allen wel
87