„Dank je wel, Frans,” fluisterde Corrie. „Ik heb nog nooit zó’n heerlijke dag gehad.”
Frans gromde iets terug en toen hij haar neergezet had in haar stoel bij het raam, repte hij zich gauw naar hun eigen huiskamer, want hij hield niet van bedankjes en ook niet van samen zijn met „zo’n troep geiten.”
„Wij van de Brei” zaten om Corrie heen geschaard en het was een gekakel, dat horen en zien je verging.
De Muizenmoeder en tante Do renden af en aan met glazen limonade en gebakjes.
Mevrouw Smaalders, die mee had willen helpen, werd in een grote stoel gepoot en mocht „vandaag haar gemak nemen.”
Anne-Marie, die zich met de grootste moeite een uur had vrij gemaakt, kwam haar aandeel in de feestvreugde halen, zoals ze lachend beweerde. En de trouwe ridder van Riek, die vond, dat hij niet achterwege kon blijven, annonceerde zich door tegen de deur te krabbelen en luid te blaffen. Waarop Riek „het vergeten schoolkind” naar binnen trok en hem een lik room op z’n bruine neus plantte.
Alles praatte door elkaar, alleen Corrie zat muisstil in haar hoekje, met glinsterende ogen.
„Dè lieverd,” dacht Anne-Marie en toen ze haar ogen ontmoette, gaf ze haar een hartelijk knikje. Maar Corrie wenkte haar of ze even bij haar wilde komen.
„Wel?” vroeg Anne-Marie, terwijl ze zich over haar heen boog.
„Ik weet niet, hoe ik allemaal moet bedanken,” fluisterde Corrie haar in.
„Zing een liedje voor ze, dan heb je ze meer bedankt, dan met woorden. Wil ik je het Zonnelied begeleiden?”
„O, alsjeblieft,” zei Corrie in verrukking.
Ze hadden het al eens meer samen doorgenomen en Anne-Marie wist waar de muziek lag. Ze zette die op de lessenaar, keerde zich even naar de anderen en zei dan:
„Corrie zou graag haar dankbaarheid in een liedje
178