„Miep!” was het eindresultaat en ze hadden er allen vrede mee.
Miep posteerde zich trots als een pauw naast de wagen.
„Jullie moeten langs de tram rijden, dan wuiven we!” riep Suus.
„Ja, enig!” genoot Corrie.
Het hele troepje bleef bij de tramhalte achter en Frans schoof de wagen vlug over het asfalt, om de tram een eind vóór te kunnen zijn.
„Komt-ie nog niet?” vroeg Corrie, want ze wilde niets verzuimen.
„Ze staan nog op een kluitje bij de halte,” berichtte Miep.
Twee straten verder hoorden ze de tram aankomen.
„Nu even stil staan,” gebood Miep.
Ze stonden met z’n vijven op het achterbalcon van de tram en de conducteur waarschuwde het vrolijk troepje, zich niet te ver buiten het balcon te buigen.
„Halloh! daag! we wachten op je, hoor! daag! daag!”
Corrie wuifde uit alle macht en ze bleef wuiven, tot er niets meer van hen te zien was.
„Miep?”
„Ja?” Miep boog zich naar haar toe.
„En nu nog met allemaal thuis. O, er komt geen einde aan de zaligheid! En als ik morgen wakker word en denk, dat het allemaal een droom is geweest, dan is de wagen er om te zeggen, dat het heus, heus waar is.”
Ze bleef het verdere van de rit zitten als een poesje, dat zich koestert in het zonnetje.
Miep dacht, dat ze nog nooit een meisje gezien had, dat zó gelukkig keek als Corrie. „En dan te denken, dat ze nog zo heel veel mist, waar wij van genieten kunnen.”
„Zo, freule,” zei Frans, toen ze voor het Muizennest halt hielden. „Einde van de rit.” Zachtkens tilde hij haar uit de wagen en droeg haar het huis in.
177