wat bij wil verdienen. Ze heeft het al met je Moeder besproken en die had er niets tegen. Hij woont vlak bij ons in de buurt, we hebben dus maar even te waarschuwen en hij staat klaar om je te brengen waar je maar wil. Kan het mooier?”
„Ik kom jullie eens van school halen,” juichte Corrie, die opeens allerlei prettige verschieten zag.
Zouden de meisjes wel ooit het opgewonden gezichtje vergeten achter de bossen bloemen?
„Kinderen, ik kan niet meer,” pufte Riek, die de hele wandeling van huis naar het Vondelpark toch wel even te machtig werd. Ze wilde op een bank neervallen, maar zorgzame Frans trok haar van de bank.
„Zeg, moet je kou vatten? Je bent zo warm als wat en het is helemaal geen weer om buiten te zitten.”
„Ik weet wat,” stelde Nita voor. „Riek gaat met nog een paar in de tram terug en er blijft één bij Corrie en haar chauffeur, om samen terug te wandelen.” Ze wilden wel allemaal bij Corrie blijven, want het was een genot om naar haar blij gezichtje te kijken.
Maar Riek nam het voorstel met twee handen aan, want ze had zichzelf overschat en kon niet meer verder.
„Nu geen gezeur wie er bij Corrie zal blijven, maar ópschieten,” baste Frans. „Echt iets voor meisjes, om daar zo lang over te hannessen! ”
Toen wilden ze zich allemaal voor mekaar opofferen en was het „blijf jij maar bij haar” niet van de lucht.
„Gaan jullie dan maar met z’n allen in de tram,” gromde Frans. „Dan zien jullie ons wel verschijnen.”
Maar dat wilden de meisjes ook niet en toen werd er maar besloten een aftellertje te doen.
„Bah!” plaagde Frans. „Ik krijg er gewoon een flauwe smaak in m’n mond van. Wat een kinderachtige schapen!”
Corrie amuseerde zich best bij al dat geharrewar en ze zoemde het lijzige aftellertje net zo hard mee.
176