zonnetje toch fijn! En wat zijn jullie allemaal lief voor me. O!”
„Wat is er?” vroeg Riek.
„Daar lopen de ... daar komen de meisjes van ...”
„Wij van de Brei, we zijn vandaag zo blij ! ” zongen vier vrolijke meisjesstemmen haar uit de verte tegemoet en menige voorbijganger keek nog eens even om naar het vrolijke troepje, dat, de handen vol bloemen, in vlug tempo voortstapte.
„Hiep hoj! hiep hoj! hiep hoj!”
Ze schaarden zich om Corrie’s wagen en duwden haar lachend en joelend de bloemen in de armen.
„Moet je die majesteit daar zien zitten!” lachte Riek. „Buig dan, Correkind! Je onderdanen komen je begroeten.”
Maar Corrie kon niet buigen en niet lachen, want ze stond op het punt om in huilen uit te barsten.
Riek, die het zag, maakte haar opeens attent op twee schattige kindertjes, een joggie en een meisje, die hand aan hand langs hen liepen.
„Wat een paar schattige kabouters, het lijken wel tweelingen. En wat hebben ze leuke gebreide pakjes aan.”
„Riek kijkt natuurlijk weer direct naar het breisel!” plaagde Ans. „Wil ik een patroontje voor je vragen, Opoe?”
„Moet je dat gesnater in die vijver horen,” zei Bep. „Als je weer gaat moet je brood of koekjes voor de eenden meenemen, Corretje.”
„Ik zou wel iedere dag willen gaan.” Dromerig zei Corrie het en haar grote ogen staarden in verrukking naar alles om haar heen. Naar het nog zo heel tere glimmertje groen aan de bomen, naar de vijver met al die gezellig snaterende eenden. „Maar er is niet altijd een goede geest om me te rijden.”
„O, dat komt best in orde,” stelde Frans haar gerust. „Moeder weet iemand, die pensioen heeft en die er graag
175