zij genoot van de innige vreugde van die twee zieltjes, die voor de eerste maal in hun leven eens echt verwend werden.
„En nu aankleden en op stap,” gebood tante Do, want ze vond het beter, dat er een eind aan kwam.
„Ik kan niets zeggen,” huillachte Corrie; en mevrouw, helemaal overstuur, drukte ieders handen zonder iets te kunnen uitbrengen.
Vlugge handen kleedden Corrie aan en voor ze het zelf wist, had Frans haar opgepakt en in de wagen gezet, die hij tot vlak voor de huisdeur geschoven had.
„O, zullen jullie voorzichtig met haar zijn,” smeekte mevrouw, die in de gang was blijven staan en niet te bewegen was geweest met haar mee te gaan.
„We brengen haar weer gezond en wel terug,” beloofde Frans en in zijn anders zo overmoedige jongensstem was een ernstige klank, die mevrouw direct vertrouwen gaf.
„O, u moet even naar haar kijken,” drong de Muizen-moeder aan. „U moet haar even nawuiven,” en ze schoof mevrouw Smaalders naar het raam.
Toen die het stralende gezicht van haar kind zag, verdween ook het laatste verbitterde gevoel uit haar hart en wuifde ze om het hardst met de anderen mee.
Riek bedacht pas naderhand, dat ze geen van drieën een woord gesproken hadden op die eerste rit.
Want Corrie had met grote, blije ogen zitten rondkijken en alle indrukken in zich opgenomen, die een grote stad kan geven, aan wie haar voor de eerste maal ziet.
Geen seconde was ze bang, zélfs niet, toen ze op het Leidse Plein aankwamen, waar het verkeer zo heel druk is en waar overgestoken moest worden. Frans reed immers en Riek, wier hand ze af en toe vast hield, was vlak bij haar. Hoe kon ze dan bang zijn?
Maar toen ze door het Vondelpark reden, kwam eindelijk haar tong wat los.
„Ik ben zo heerlijk warm,” was het. „En wat schijnt het
174